HET MIDDEN OOSTEN

Woensdag 16 juli, Amsterdam/Beirut

Dat was me wat toen Dolly me gisterenavond in Nijkerk een slinger gaf naar de trein en ik met de intercity en lijn twee op de Herengracht aankwam. Aan álles gedacht, écht niks vergeten, behalve de sleutel van ons appartement in Amsterdam, waar ik de nacht voor ons vertrek zou slapen. Daar zat ik dan in de motregen op het bankje voor de deur van ons grachtenpand. Rein had geen sleutel en Rick (die er wel een bij zich had) was nog op zijn werk. Omstreeks half één kwam hij aangefietst en kon ik naar bed voor een korte nacht want om half zes stond taxi Joop voor de deur om me naar Schiphol te brengen. Natuurlijk eerst Nina opgehaald, die de uitdaging om met mij een reis om de wereld te maken is aangegaan. Ik ken haar al wel lang, maar eigenlijk niet zo heel goed; jaren geleden was ze mijn fysiotherapeut, we hebben daarna contact gehouden en tegenwoordig gaan we op maandagavond (met Tanja en Erik) gezellig uit eten. Er zijn weinig mensen die tijd en zin hebben om er op korte termijn vijf weken tussen uit te knijpen. Toen ik haar belde was Nina haar Spaans aan het bijschaven in Argentinië en had maar een week bedenktijd nodig.

Vlucht KL 1229 naar Parijs, die om acht uur moest vertrekken, heeft bijna een uur vertraging. Dat begint lekker, want onze overstaptijd is minder dan één uur. Na aankomst zetten we het op een rennen naar de gate voor Beirut. Onderweg is er plotseling een opeenhoping van honderden mensen voor een security check. In het gedrang komt er een dame voorbij die “Beirut” roept. Wij er achter aan en we worden met voorrang doorgelaten om even later bij de gate te constateren dat al die heisa voor niks was, want ook deze vlucht gaat een uurtje later. We zitten er meteen lekker in. Gelukkig dat we alleen handbagage hebben, anders waren we onze koffers nu al kwijt geweest. De airbus van Middle East Airlines is splinternieuw. Dat is nog eens wat anders dan de overjarige MD11’s, die de KLM inzet voor Bonaire.

Een paar uur later maak ik boven Beirut een foto van twee rotspunten in zee, waar we een dag later in een restaurantje op de boulevard van de zonsondergang zullen genieten. Op de luchthaven vraagt een medewerker van Avis of het de eerste keer is dat we in Libanon een auto huren. Als ik “Ja” zeg verschijnt er een brede grijns op zijn gezicht’ “Is it that bad?” vraag ik hem. “Worse” antwoordt hij. “Het zal toch wel meevallen”, dacht ik nog. Nou dat deed het niet. Buiten het vliegveld wacht ons een warm onthaal, want honderden schreeuwende mensen met vlaggen en grote portretten flankeren de weg naar Beirut, wat resulteert in chaotische taferelen want mensen staan en lopen over de (snel)weg, auto’s staan stil of rijden heel langzaam, mensen hangen uit de ramen en iedereen is uitzinnig van vreugde. Allemaal voor ons? Via het autoraam vragen we aan een medeautomobilist wat er aan de hand is. “Wij vieren vandaag de overwinning op Israël” is zijn antwoord. Later blijkt dat onze aankomst gelijk valt met de aankomst van vier gevangenen die Israël die dag heeft geruild voor de stoffelijke overschotten van twee Israëlische soldaten. De enorme portretten die langs de weg staan opgesteld en die we later in heel Libanon tegenkomen zijn van Hezbollah leider Nasrallah en van de die dag vrijgelaten Samir Kontar, die op 16 jarige leeftijd een Israëlische familie uitmoordde en al 28 jaar gevangen zat.

Na enige omzwervingen arriveren we in Beirut bij Hotel Monroe, aan de kust, maar niet aan het strand. Het is eigendom van het Libanese leger, dat niet alleen hier, maar alom in het straatbeeld aanwezig is. Op elke straathoek staat wel iemand in uniform met een automatisch geweer losjes over de schouder, overal staan pantserwagens en tanks, en er zijn regelmatig wegversperringen. Hotel Monroe wordt, zoals bijna alles in Beirut, verbouwd. Dat moet ook wel, want tijdens de burgeroorlog, die duurde tot 1990, is de hele binnenstad in puin geschoten. Tegenover ons hotel staat het oude Holiday Inn, 26 verdiepingen hoog, zonder ramen, zwartgeblakerde muren, mortierinslagen en duizenden kogelgaten. We wisselen dollars in ponden. US$ 1 = 1500 Libanese Pond, hoewel we later ook koersen zagen van boven de 2000.

’s Avonds heeft Nina afgesproken met een ver familielid. Tijdens een familiebijeenkomst, onlangs in Denemarken, bleek dat een achter achter nicht van haar, waar ze nog nooit van gehoord had, laat staan gezien, in Libanon woont. Door wat te mailen over en weer zijn we uitgenodigd om langs te komen. Via de telefoon meldt ze dat Beit Mery, waar ze woont, niet zo heel makkelijk te vinden is. Dat blijkt een understatement. In Beirut staat geen enkel verkeersbord, plattegronden kloppen niet en als je eenmaal een weg bent ingeslagen kom je er onmogelijk weer af. Libanezen rijden als idioten, werkelijk onvoorstelbaar. Alles kan, alles mag. Tegen het verkeer in, wachten tot er een auto aankomt en dan pas oversteken, keren op de snelweg. Het zijn vooral de zwarte, geblindeerde fourwheeldrives die zeer asociaal rijgedrag vertonen, er rijden hier meer Cayennes dan in Nederland. Die gozer van Avis had helemaal gelijk. Als niet Libanees moet je in Libanon niet autorijden. De weg vinden kan alleen door voortdurend te vragen, maar de mensen onderweg spreken bijna alleen Arabisch, soms een beetje Frans en ze sturen ons alle kanten op. Gelukkig treffen we een pizzakoerier die een eind dezelfde richting uit moet. En Nina blijkt uitstekend te kunnen kaartlezen en een fabelachtig oriëntatievermogen te hebben.

Na anderhalf uur de buitenwijken van Beirut doorkruist te hebben komen we bij een prachtig huis waar een verbaasde Suzy er niet over uit kan dat we het met eigen auto zo snel gevonden hebben. We worden binnengeleid in een onvoorstelbaar mooi huis met prachtig gedecoreerde kamers, terrassen, binnentuinen en bedienden die ons voorzien van een drankje. We worden voorgesteld aan het gezelschap, man Pierre, zoon Karim met zijn Zweedse vrouw, nog wat familieleden en een bejaard echtpaar. Hoewel ik me nooit zo op mijn gemak voel in vreemd gezelschap is de ontvangst dermate hartelijk dat ik me direct thuis voel. We worden onthaald als oude vrienden, er is drank (Arak, een anijsdrank), heerlijk Libanees eten en de verhalen komen los. We zijn op bezoek bij een oude, gerespecteerde Libanese familie, Pierre had vroeger fabrieken waar kleding gemaakt werd, maar hij heeft ze allemaal moeten verkopen omdat het Verre Oosten goedkoper ging produceren. Nu doet hij in onroerend goed.

Hij legt uit dat Libanon wordt omringd door vijanden. In het zuiden Israël, dat met enige regelmaat binnenvalt en ook nu nog een stuk Libanees grondgebied bezet houdt. In het oosten en noorden Syrië, dat Libanon eigenlijk als een deel van Syrië beschouwt en in 2005 betrokken was bij de moord op oud president Hariri. En dan is er Hezbollah, gesteund door Iran en met maar één doel, vernietiging van Israël. Zijn vrouw Suzy, geboren in Denemarken, is lang geleden, in een tijd dat vrouwen hier niet geacht werden om te werken, in Beirut aan de slag gegaan als fysiotherapeut. Haar vader was ingenieur en ze kan zich herinneren dat in de havens oude Romeinse zuilen werden vergruisd tot grind voor de wegenbouw. Suzy en Pierre hebben vier jaar geleden een schoonzoon verloren door een autobom. Hij was journalist, veroordeeld omdat hij schreef wat het bewind niet wilde, gevlucht naar Denemarken en op de dag dat hij terugkeerde werd hij vermoord. De man van het bejaarde echtpaar (hij is wetenschapper, 80 jaar oud, en pas vorig jaar gepensioneerd) neemt tijdens de maaltijd het woord en verklaart met passie dat het vandaag een historische dag is voor Libanon, doelend op de gevangenenruil. “Eindelijk gloort er voor Libanon kans op duurzame
vrede” Het hele gezelschap valt over hem heen, niemand is het met hem eens. We zijn nog maar een paar uur in het Midden Oosten en de hele problematiek ligt op tafel. Ik complimenteer de man met zijn positieve kijk op de dingen en de gastrouw voor de heerlijke avond die ze ons bezorgt. We drinken “witte koffie”, heet water met rozenblaadjes en nemen afscheid van de familie of we ze al jaren kennen.

Op de terugweg naar Beirut gaat het helemaal mis. Het is nacht, er is niemand om de weg te vragen. Na misschien wel een uur doelloos rondgescheurd te hebben door donkere straten belanden we weer op hetzelfde punt. Nog meer zoeken, een straatnaam, dan komt eindelijk het hotel in zicht. Daar bruist het, er is een bruiloft. Moe maar voldaan duiken we in bed. De kamer is aan een drukke weg, maar we besluiten toch aan een open raam de voorkeur te geven boven de airco. Pfff dit is pas de eerste dag. Ik neem het besluit om een dagboek bij te houden. Het is zo bijzonder allemaal, te mooi om de herinneringen over te laten aan mijn geheugen.

volgende